abbattere [ab-bàt-te-re]
uccidere
  • doden
  • afmaken
  • neerschietenarmi da fuoco
  • slachtenanimali
  • fu abbattuto da una raffica di mitra hij werd geveld door een mitrailleursalvo;
Fraseologie
(ARMI) abbattere a/con fucilate met geweerschoten doden
(ARMI) abbattere con una raffica di kalashnikov doden met een kogelregen uit een kalasjnikov
abbattere giornalmente dagelijks vermoorden
abbattere indiscriminatamente doden zonder onderscheid
(CAC.) abbattere un animale [uccidere un animale] een dier afmaken/neerschieten/doden
  • il cacciatore abbatté il cervo de jager schoot het hert neer
  • il cavallo azzoppato è stato abbattuto dal veterinario het manke paard is afgemaakt door de dierenarts
  • ha abbattuto il cane malato hij heeft de zieke hond afgemaakt
(ALL.) abbattere un capo di bestiame een stuk vee afmaken/doden/slachten
(ZOOL.) abbattere una mucca een koe slachten