adattare [a-dat-tà-re]
abituarsi [modificare in parte le proprie caratteristiche e abitudini per mutate condizioni ambientali o sociali]
  • zich aanpassenaan
  • wennenaan
  • gewend rakenaan
  • si adatta ad ogni situazione hij past zich aan iedere situatie aan;
Fraseologie
adattarsi all'ambiente zich aanpassen aan de omgeving//aan de omgeving gewend zijn
  • certi animali si sono adattati a vivere in ambienti inquinati sommige dieren zijn eraan gewend geraakt in vervuilde gebieden te leven
adattarsi all'oscurità/al buio [riuscire a vedere al buio] aan het donker wennen
  • gli occhi si possono adattare a vedere nell'oscurità ogen kunnen eraan wennen in het donker te zien
adattarsi alle mutate condizioni di vita [cambiare o modificare il proprio stile di vita a seconda delle esigenze] zich aanpassen aan de gewijzigde levensomstandigheden
adattarsi con difficoltà zich met moeite aanpassen
  • mi sono adattata al nuovo ambiente di lavoro con difficoltà ik heb me met moeite aan mijn nieuwe werkomgeving aangepast
nella vita bisogna sapersi adattare men moet zich in het leven weten aan te passen