argomento [ar-go-mén-to]
materia, tema [oggetto di discorso]
  • onderwerphet
  • themahet
  • materiede
Fraseologie
argomento delicato gevoelig onderwerp
cambiare argomento van onderwerp veranderen
dissertare su un argomento interessante [discutere attorno a un tema interessante] een verhandeling houden over een interessant onderwerp
entrare in argomento [affrontare un tema per una discussione] een onderwerp aansnijden
essere argomento di discussione [essere oggetto di discussione] voorwerp van discussie zijn
(INS.) l'argomento della lezione het onderwerp van de les
  • l'argomento della lezione di oggi è il verbo andare het onderwerp van de les van vandaag is het werkwoord gaan
passare da un argomento all'altro van de hak op de tak springen
(LETT.) romanzo di argomento storico boek met een historisch thema
scegliere un argomento difficile een moeilijk onderwerp kiezen
sfiorare/toccare un argomento [trattare un argomento in modo superficiale] een onderwerp aanstippen
tornare in argomento [ritornare all'argomento da cui si era partiti] op het onderwerp terugkomen
uscire dall' argomento [andare fuori tema] van het onderwerp afwijken
venire sull' argomento [arrivare al punto] tot de kern (van de zaak) komen