abbandono [ab-ban-dó-no]
atto del trascurare [abbandonare, lasciare temporaneamente o definitivamente, persone, cose, animali o luoghi]
  • (het) verlaten
  • verlatingde
  • (het) in de steek laten
  • (het) achterlatendi luoghi
  • achterlatingdedi luoghi
  • vervalhet
Fraseologie
abbandono definitivo het definitieve verlaten
abbandono del paese [emigrare] het verlaten van het land/dorp
abbandono della casa het verlaten van het huis
abbandono della famiglia het in de steek laten van het gezin
(NAV.) abbandono della nave het verlaten van het schip
abbandono di rifiuti afvaldumping
essere in stato di abbandono [essere desolato e trascurato] in staat van verval verkeren
in abbandono [in disuso] in onbruik
in completo/in totale abbandono [completamente trascurato] in volledig verval
in stato di assoluto abbandono in staat van totale verwaarlozing
lasciare in abbandono [abbandonare] verwaarlozen
lento abbandono het geleidelijk laten varen/achterlaten